Home NVPH Speciale Catalogus 1984 NVPH Speciale Catalogus 1988

NVPH Speciale Catalogus 1985

Speciale Catalogus

Katalogus betekent in het Grieks niets meer dan een lijst, opsomming (van het werkwoord: katalego=opsommen, opnoemen). Een lijst van dingen, 'items', in ons geval postzegels. Bij een lijst hoeven de items niet verschillend te zijn, bij een postzegelkatalogus zijn de items op een of andere wijze verschillend. Wat maakt de zegels verschillend? Hoe zijn ze te onderscheiden? Zijn er bepaalde onderscheidingskriteria?

De twee meest voor de handliggende kriteria zijn:

a
kleur/nuance
b
afbeelding/tekening/type

Er kunnen ook wetenswaardigheden zijn, leuk om te weten:

  1. wat is het voor een zegel, wat is de postale functie?
  2. wat is de nominale waarde?
  3. wanneer lag de periode van verkrijgbaarheid en gebruik?

Eigenlijk zijn deze gegevens niet slechts voor de aardigheid, ze zijn nodig om een structuur (soort zegels, chronologische volgorde, volgorde van nominale waarde) aan te brengen in de katalogus. Kortom: 2 onderscheidingskriteria plus 3 soorten wetenswaardigheden vormen het minimum vereiste voor een postzegelkatalogus.

Elke lijst die meer biedt, zou zich al kunnen tooien met een toevoeging speciaal, officiëel of iets dergelijks. In de zin dat aan de belangstellende verzamelaar méér onderscheidingskriteria, méér wetenswaardigheden geboden worden of dat deze worden uitgediept.


Bij de 45e editie van de Speciale Catalogus van de Postzegels van Nederland en Overzeese Rijksdelen, wordt net als bij de voorgaande edities de opzet vaag gehouden.

Laten we nagaan, de prijsstelling [hierover kan een apart artikel geschreven worden] en de stempels buiten beschouwing latend, welke onderscheidingskriteria de Speciale Catalogus hanteert, wanneer hoofdnummers dan wel sub-nummers worden uitgedeeld en hoe consequent dat gebeurt. Verder welke wetenswaardigheden we standaard mogen verwachten.

Illustraties

Bijna alle zegels zijn in kleur afgebeeld. Als binnen een serie slechts kleur en waardeaanduiding verschillen, wordt maar één vertegenwoordiger afgebeeld. Alleen niet consequent:

Nederland

  • 1962 "Gouda" zowel de 4 als de 8c
  • 1969 Juliana Regina zowel de 25 als de 75c
  • 1981 Beatrix Inhuldiging zowel de 60 als de 65c
  • 1982 Nederland-USA zowel de 50 als de 65c
  • 1984 Europa zowel de 50 als de 70c

Is uit de afbeelding van de 25c Juliana Regina op te maken wat het verschil in tekening is?

Waarom worden de beide Beatrix zegels niet net als de beide 400jaar Nederlandse Vlag zegels [20 en 25c], bij elkaar gezet? Ook hier toch een tariefsverhoging welke de waardeverandering nodig maakte.

Nederlandsch Indie

  • 1917 nooduitgifte 1/2 en 1c
  • 1939 Sociaal Bureau, zowel 3 1/2 als 10c lichtrood, 10c rood als 20c.

Indonesia

  • 1949 UPU 15 en 25sen

Nederlands Nieuw Guinea

  • 1953 Watersnood, zowel 15+10 als 25+10c


Curacao

  • 1901 zowel de 12 1/2c op 12 1/2c als de 25 op 25c
  • 1931-32 zowel de 1 1/2 op 2 1/2c als de 2 1/2 op 3c
  • 1929 Luchtpost 50c, 1gld, 2gld

Nederlands Antillen

  • 1977 Disberg boekjeszegels 20, 35, 55c
  • 1979 "en face" boekjeszegels 5, 40c

a: kleur/nuance

Kleuren worden nog eens apart benoemd. Zodra echter méér dan twee kleuren gebruikt zijn, wordt de voorkeur gegeven aan de term meerkleurig. Consequent hierin is de Speciale Catalogus niet. Zie Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1984 pagina's 818-819.

Bij 1981 Koningin Beatrix ontwerp Struycken wordt één kleur aangegeven terwijl er toch duidelijk een tweede kleur is.

Ook bij de overzeese gebieden wordt aan meerkleurig de voorkeur gegeven.


Bij sommige zegels staat het aantal kleuren verkeerd:

Ned.Nieuw Guinea

  • 1955 Rode Kruis, de opdruk is in rood
  • 1959 Sociale Zorg is tweekleurig

(!font_0

Ned.Antillen

  • 1955 Kind moet méérkleurig zijn, niet 2-kleurig,
  • 1958 Kind moet méérkleurig zijn, niet 2-kleurig,
  • 1959 Statuut is niet 1-kleurig doch méérkleurig,
  • 1962 Cultuur 6c is 2-kleurig niet méérkleurig,
  • 1972 Droogdok is driekleurig,
  • 1972 da Costa Gomez is tweekleurig,
  • 1973 Disberg 45c is tweekleurig,
  • 1973 Cultuur 15c is driekleurig,
  • 1976 Disberg postzegelboekje is tweekleurig,
  • 1978 Rode Kruis is driekleurig

(!font_0


Kleurnuances en nummering

Nederland

Kleurnuances worden t/m de Bontkraag-serie (1898) weleens apart opgevoerd met een sub-nummer, later niet meer. In enkele gevallen zelfs opgeblazen tot hoofdnummer:

  • 1 1/2c cijfer Vurtheim [nrs 52,53]
  • 2 1/2c Lebeau "groen" [nrs 174,379]
  • 12c Juliana en face "rood" [nrs 521,522]
  • 25c Juliana Regina "rood" [nrs 939,940]
  • de Portseries 1881 en 1891, beide "blauw"+zwart

Bij zowel de 2 1/2c Lebeau als de 25c Juliana Regina spelen verschillen in tekening en/of drukprocede een veel belangrijker rol.

Nederlandsch Indië

Hoofdnummers krijgen:

  • 1870 de 2c lila-bruin en roodbruin: [nrs 5 en 6]
  • 1902 20c zwartgroen en olijfgroen: [nrs 52 en 53]

En vanwege de papierkleur:

  • 1906 1 en 2 1/2 gulden: [nrs 58 en 59 60 en 61]


Subnummers halen slechts:

  • 1870
    • 2c strogeel, roodbruin, vaalbruin
    • 10c lichtoranjebruin, oranjebruin
    • 20c ultramarijn, dofblauw
    • 25c donkerpaars, dofpaars
  • 1883 3c lila, roodlila
  • 1941
    • 10c van Konijnenburg oranjerood, rood
    • 50c-2 Gld van Konijnenburg donkere kleuren
  • 1892 Porten matrood karmijn (10, 20c)

Curacao

Hier slechts subnummers:

  • 1873 2 1/2 gulden olijfgeel+lila, bruingeel+violet
  • 1915 Cijfer
    • 1c lichtolijfgroen, olijfgroen
    • 1 1/2c donkerblauw, blauw
    • 2 1/2c groen, donkergroen
    • 7 1/2c geelbruin, grijsbruin

Suriname

Eveneens slechts subnummers:

  • 1873 25c groenblauw, ultramarijn
  • 1913 Cijfer
    • 3c geelbruin, bruingeel
    • 7 1/2c geelbruin, grijsbruin
  • 1961 Ruimtevaart: verschil in kleur tussen de oplagen

Wat bij vergelijking met de cijferseries van Curacao en Suriname opvalt is dat bij de gelijktijdige serie van Nederlandsch Indië van 1912 de kleurnuances niet vermeld worden.


b: afbeelding/tekening/type

Variaties in afbeelding/tekening weleens apart als sub-nummer:

  • 1852 de platen van de 5 en 10c
  • 1864 de platen van de 5c
  • 1867 de typen I en II
  • 1876 1/2c type I en II
  • 1921 12 1/2c type I en II
  • 1943 7 1/2c de Ruyter type I en II
  • 1949 5 Gld Juliana en face type I en II
  • de Portzegels tot emissie 1921

In enkele gevallen zelfs opgeblazen tot hoofdnummer:

  • 1 gld Bontkraag [nrs 49, 77]
  • 10c Bontkraag [nrs 62, 81]
  • 25c Juliana Regina [nrs 939, 940]

De verschillen in tekening bij de 25c Juliana Regina vinden we ook terug bij de 1 gld 25 Juliana Regina. [zie Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1985 pagina 271]. Deze krijgen noch een hoofdnummer noch een sub-nummer!

De typen bij de 2 1/2c Lebeau resp. bij de 2 1/2c Symbolen worden niet erkend [zie Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1985 pagina's 622-623].

De blokken en stroken omvattende zegels, die ook apart vermeld zijn, krijgen vanaf 1965 wel een hoofdnummer, daarvóór [1942 Legioenblokken] niet?

Aparte hoofdnummers sinds de vorige editie ook voor de postzegelboekjes 29, 30 en 31.

De francofiele kreet carnet in plaats van postzegelboekje is nog steeds niet losgelaten.


Overzeese gebiedsdelen

Variatie in tekening/type vinden we meestal bij de zegels met een locaal aangebrachte opdruk. De lange aanvoerlijn tussen Moederland en Kolonie maakte het vaak noodzakelijk voorraden zegels van minder courante waarden te voorzien van een andere waardeaanduiding. De druktechnische omstandigheden zullen niet altijd even ideaal geweest zijn. Persoonlijke spreekt deze variatie in afbeelding me totaal niet aan, anderen raken er door in extase. Wat meer intrinsikere tekening/type-verschillen vinden we bij:

Nederlandsch Indie

  • 1870 1c: afstand tussen "1" en "cent". De typen hebben de status van hoofdnummer gekregen [nrs 3 en 4].
  • Daarentegen wordt het verschil in afstand tussen "10" en "Cent" bij de 10c van Konijnenburg 1941 afgedaan met slechts een subnummer.
  • Bij de 1870 emissie wordt voorts nog een type onderscheid genoemd doch niet uitgewerkt: het al of niet voorkomen van de zogenaamde "van Woerden stip", een vlekje op de lijn onder het 1e anker. Dit type-verschil komt overigens ook voor bij de cijferzegels 1883 en bij Hangend Haar 1982 (15c, 25c) maar wordt daar doodgezwegen. [Nederlandsch Maandblad voor Philatelie. 196. pagina ]
  • De portzegels tussen 1882 en 1913, overigens van alle overzeese gebieden dus inclusief Curacao en Suriname, vertonen de bekende typen I-IV.

Suriname

  • 1892 2 1/2c de verschillende letters "F"
  • 1912 2 1/2, en 12 1/2c met typen I en II

Nederlands Nieuw Guinea

  • 1962 Veilig Verkeer: Er is een verschil in tekening tussen de eerste twee oplagen en de derde oplage van de 25c, resp. de eerste en tweede oplage van de 30c.


3-Periode van verkrijgbaarheid en gebruik

Als bij langlopende emissies aanvullingswaarden verschijnen, ontbreekt meestal de vermelding van het jaar van uitgifte.

Bij de Nederlandse zegels tot 1924 wordt het jaar van uitgifte nog vrij vaak vermeld. Daarna nog maar zeer incidenteel.

Bij de Nederlandsch Indische zegels tot 1912 wordt het jaar van uitgifte nog vrij vaak vermeld, bij Curacao en Suriname niet of zeer incidenteel.

Na 1912 lijkt het eerder regel afwijkende jaren van uitgiften bij de afzonderlijke waarden niet te vermelden.

Is het niet mogelijk dat uit de eveneens door de NVPH uitgegeven catalogus Eerste Dagen deze summiere informatie wordt gedestilleerd?

Welke andere kriteria worden bij de hoofdnummering gebruikt?

c: volledig getand niet of onvolledig getand

Nederland

Bij de 5 en 10c Bontkraag krijgen getand en ongetand verschillende hoofdnummers [nrs 60 en 82 resp. 81 en 83]. Niet geheel alzijdig getande zegels krijgen of een afzonderlijke opstelling (zegels uit automaatboekjes, de zogenaamde roltanding), of slechts een sub-nummer (2-zijdig getand rolzegels, al of niet met onderbroken perforatie: Amsterdam 700 jaar 30 en 35c, Energie, Verkiezingen, Crouwel, Beatrix Regina).

Waarom dit verschil in behandeling?

Dat vanwege het voorkomen in combinaties met andere waarden van zegels uit automaatboekjes, en het ook willen opnemen van de combinaties voor een aparte opstelling is gekozen is te begrijpen.

De vier soorten roltanding (2-zijdig, 3-gaats, 4-gaats, hoek-) kunnen toch net als de 2-zijdig getande rolzegels met een a-, b-, c-, of d-nummer worden ondergebracht bij de hoofdopstelling? Of maak anders een aparte opstelling voor deze rolzegels, en splits ook de doorlopende en onderbroken horizontale perforatie uit bij de 30c Amsterdam 700 jaar.


Nederlandsch Indië

1864 resp. 1868 hoofdnummers voor de 10c ongetand resp. getand. Overigens wordt de tanding aangegeven met 12 1/2:12 terwijl dezelfde tanding bij de Nederlandse zegels [emissie 1864] als 12 3/4:11 3/4 genoteerd wordt!

Ned.Antillen

De zegels uit postzegelboekjes [hier overigens geen carnets genoemd] krijgen of een eigen hoofdnummer:

  • 1977 Disberg 20, 35, 40, 55c
  • 1979 Juliana en face 5, 10, 15, 20, 25 ,30, 40c

of worden afgedaan met een sub-nummer:

  • 1980 Troonwisseling 25, 60c

Voor zegels van het Disberg of en face type worden zelfs 15 catalogus-nummers gereserveerd.


d: Met watermerk zonder watermerk

Nederland

De Veth- en Lebeau-serie, de 4 en 8c v.Krimpen, de 12c Juliana en profil, en de 1967 Europa serie komen zowel met als zonder watermerk voor, en krijgen dan afzonderlijke hoofdnummers.

Bij de overzeese gebieden wordt het watermerk erg laat ingezet. Alleen bij zegels gedrukt in rasterdiepdruk.

Nederlandsch Indië

  • 1938 Jubileum = verticaal
  • 1938 KNILM = verticaal
  • 1938 Missie = horizontaal
  • 1938 Kreisler [karbouw, Kon. Wilhelmina] = horizontaal
  • 1939 Soc. Bureau ??
  • 1948 Inhuldiging = horizontaal

Curacao+Suriname

  • 1938 Jubileum = verticaal
  • 1948 Inhuldiging = horizontaal

Als onderscheidingskriterium dient het watermerk alleen bij de Nederlandsch Indische Kreisler-serie, en worden verschillende hoofdnummers uitgedeeld. Alleen niet voor de Kreisler met opdruk "1947": 25 en 80c. Hier slechts sub-nummers.

Tot dus ver een stel onderscheidingskriteria die volslagen onbegrijpelijk nu eens met hoofdnummers dan weer eens sub-nummers opleveren.


De volgende onderscheidingskriteria dienen meestal slechts voor sub-nummering in de Speciale Catalogus:

e: Perforatiemaat

Vaak juist als kriterium gehanteerd, als wetenswaardigheid overal vermeld doch niet altijd even correct:

Nederland

De tandingsvarianten tot 1945 worden netjes apart gecatalogiseerd, later varianten niet altijd: het G- versus het Y-formaat ofwel 14:12 3/4 versus 13 1/4:12 3/4 gaf en geeft problemen.

Alle in Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1984 pagina's 816-817 aangegeven correcties zijn verwerkt op één na: 1984 Zomer.

De Nier-zegels 1978 hebben nu eindelijk het correcte perforaat.

Niet aangegeven in de rubriek was dat 1984 Sinte Servaes 12 3/4:13 1/4 12 3/4:14 moest zijn, en dat is dus ook niet gecorrigeerd.

Dat bij de nieuwe uitgiften het perforaat niet altijd juist vermeld staat is niet zo verwonderlijk. Het PTT orgaan Pro-fil zit er vaak naast [zie ondermeer Nederladnsc Maandblad voor Philatelie 1984 pagina 817], en ook in Pro-fil 19 moet 14:12 3/4 13 1/4:12 3/4 zijn. Bij Pro-fil mag dan als excuus gelden dat op het moment van drukklaar maken de zegels vaak nog niet gedrukt zijn en er op het laatste moment in de zegeldrukkerij iets anders gaat dan gepland, de Speciale Catalogus samenstellers hebben alle tijd gehad om de uiteindelijk aan het loket verschenen zegels onder de loupe te nemen.

Ook in deze rubriek zijn, eerlijk is eerlijk, enkele foutjes geslopen: daar waar bij Europa 1984 [Juni 1985], Europa 1985 [Mei 1985], en Amsterdam 1985 [Juli/Augustus 1985, September 1985] 12 3/4:13 1/2 staat moet voor 13 1/2 13 1/4 gelezen worden. De exacte perforatiemaat is immers 13 1/3 en dat is dichter bij 13 1/4 dan bij 13 1/2. Met dank aan de nauwlettende lezer die zich afvroeg of zijn 60c Amsterdam met 12 3/4:13 1/4 de zoveelste variant was.

Ook op Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1984 pagina's 816-817 is een foutje binnengeslopen: Schaatsen 1982 moet zijn 12 3/4:13 1/4 en niet 12 3/4:14. De Speciale Catalogus heeft dit foutje onderkend en juist gecorrigeerd!


Na deze hand in eigen boezem, de opsomming van wat bij de nieuwe uitgiften misging:

  • 1984 Wereld Natuur Fonds: 13 1/4:12 3/4 moet zijn 14:12 3/4 [fout overgenomen uit Pro-fil 10]
  • 1984 Kind 12 3/4:13 1/2 moet zijn 12 3/4:13 1/4 [fout overgenomen uit Pro-fil 12].
  • 1985 Europa 12 3/4:14 moet zijn 12 3/4:13 1/4 [fout overgenomen uit Pro-fil 17].

Tot de redactiecommissie is ook niet doorgedrongen dat de Europazegels van 1984 afkomstig van 5000 rollen, en om de 5 zegels voorzien van een rugnummer, een afwijkend perforaat hebben:

  • uitgegeven in 1984 velzegels 50 en 70c: 13 1/4:12 3/4,
  • uitgegeven in 1985 rolzegels 50 en 70c: 14:12 3/4.

Wat de 5000 rollen betreft loopt de Speciale Catalogus vooruit op de realiteit: de rollen van de Bevrijdingszegels 1985 waren in September nog niet verkrijgbaar gesteld.

In de toelichting wordt -.- verklaard met prijs onbekend. Dit is bij sommige zelden aangeboden zegelvarianten nog wel voorstelbaar, echter bij massawaar als de [gebruikte] Koningin Beatrix Inhuldigingszegels van 60 en 65c in het geheel niet. Waarom worden de drie tandingen niet gewoon van een prijs voorzien? Al was het slechts met een kwartje voor de gebruikte zegels. Is men niet in staat zich een prijsbeeld te vormen? Dat is bij de 1924 cijfer en koninginne-zegels met twee tandingen toch ook gelukt.

  • 1950 Cour Int. de Justice moet zijn 14 1/4:13 1/4


Bij de Crouwel-serie wordt als perforaat: kamtanding/scheerperforatie opgegeven. De term scheerperforatie (zie Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1982 pag. ) wordt nergens verklaard. Scheerperforaat is overigens nog niet gebruikt voor de 40c. Bij de andere waarden hebben de Regina-drukken kamtanding, en de Chambon-drukken scheerperforatie.

Bij de overzeese gebieden worden bijna alle perforatieverschillen vermeld, en krijgen ze een subnummer.

De enkele uitzonderingen zijn de volgende:

Ned.Indië

  • 1933 12 1/2c Kreisler lijntanding 12 1/2 en kam 11 3/4:12 1/4 krijgen aparte hoofdnummers [181,196].
  • Bij de 1948 Kon. Wilhelmina ontwerp Hartz de 1 gld is zowel lijntanding 13 1/4 als kamtanding 12 1/2:12 15/18 gebruikt. De kamtanding krijgt het A-nummer, echter bij de met "Indonesia" "overdrukte" zegels heeft de lijntanding het A-nummer.
  • 1949 Tempelserie, de pintanding 12 1/2 en de grote gaten 12 1/2 worden uitelkaar gehouden voor de 1, 2 en 25 rph. In beide gevallen gaat het om kamtanding 12 1/2:12 15/18 en niet om kam 12 1/2[15/19]. Kam 12 1/2 bestaat bij deze serie wel degelijk. Een feit dat de samenstellers kennelijk is ontgaan [Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1955 pagina 189]. De 1 en 2 Rph hebben ook kam 12 1/2 15/19, en dit nieuwe perforaat verdient toch wel eens een keer een katalogus-vermelding.

(!font_0

Bij de zegels van de West wordt op vele plaatsen de perforatiemaat verkeerd opgegeven. Vaak verschillen van 1/4.

Nederlands Antillen

Overal waar vanaf 1981 14:13 resp. 13:14 staat moet 14:12 3/4 resp. 12 3/4:14 gelezen worden.

Goed fout is:

  • 1982 Nederland-USA moet zijn 12 3/4:14 in plaats van 12 3/4:13 1/4,
  • 1983 Wereldcommunicatie moet zijn 12 3/4:14 in plaats van 14:13,
  • 1984 Sport moet zijn 14:12 3/4 in plaats van 12 3/4:13 1/4,
  • 1984 Cultuur moet zijn 14:12 3/4 in plaats van 12 3/4:13 1/4,
  • 1984 Fauna moet zijn 14:12 3/4 in plaats van 12 3/4:13 1/4,
  • 1985 Loge moet zijn 12 3/4:14 in plaats van 14:12,
  • 1985 Cultuur moet zijn 14:12 3/4 inplaats van 12 3/4:14.
  • Bij de Amphilex 1977 zegels van de Nederlandse Antillen is de tanding Y en niet G,
  • 1984 Roosevelt, Kind moeten zijn G en niet Y.

(!font_0


Als van zegels van de Nederlands Antillen de tanding bij velzegel en blokzegel verschilt: velzegels hebben G, de blokjes Y, dan moet dit ook als zodanig worden vermeld. Losse zegels uit een blok, met andere tanding, verdienen dan ook op z'n minst een sub-nummer:

  • 1978 Rode Kruis, [verschil wel vermeld]
  • 1979 PAHO, [verschil wel vermeld, zegels vanwege de kleur eigen nummers]
  • 1979 Rotary, [verschil niet vermeld]
  • 1980 Rowland Hill, [verschil niet vermeld]
  • 1980 Olympiade, [verschil niet vermeld, zegels vanwege de kleur hoofdnummers]
  • 1981 Padvinderij, [verschil niet vermeld]
  • 1982 Sport, [verschil niet vermeld]

(!font_0

Suriname

  • 1955 Bevrijding moet zijn 14 1/4:13 1/4 in plaats van 14 1/4:13 3/4,
  • 1958 Thalia moet zijn 13 1/4:12 1/2 in plaats van 13 3/4:12 1/2,
  • 1971 Pr.Bernhard moet zijn 12 3/4:14 in plaats 14:12 3/4.

(!font_0

Bij de Surinaamse zegels gedrukt door Bradbury Wilkinson wordt een perforatiemaat opgegeven in decimalen! Waarom niet gewoon 14 1/2:14 en 13 3/4 in plaats van 14,6:14 en 13,7:13,7?


f: Fosforescent niet-fosforescent

Als kriterium gehanteerd bij de 5c van Krimpen, enkele waarden Juliana en profil: daar een sub-nummer, bij de 1967 Europa zegels een hoofdnummer. Vanwege het gelijktijdige watermerk-kriterium?

Waarom de 5c fosfor niet gewoon bij de andere "van Krimpen"-zegels gezet?

De Juliana Regina guldenswaarden op fosfor-papier hebben nog steeds geen eigen vermelding, slechts een toevoeging: "serieprijs (6) 40.-". Geldt dit nu voor postfris of voor gebruikt?

Het gebruik van fosforescent papier komt bij de rijksdelen overzee zeer zelden voor. Gezien het nog ontbreken van vorderingen op het gebied van postmechanisatie niet zo vreemd.

Uit druktechnische overwegingen (?) zijn twee series [1969 Statuut, 1973 Jubileum] zowel voor de Nederlandse Antillen als voor Suriname gedrukt op het Sortectie-papier dat ook voor de Nederlandse versies gebruikt is.

Het is niet de eerste keer dat voor de Overzeese gebieden hetzelfde papier gebruikt werd als voor Nederland: 1938 Jubileum, 1948 Inhuldiging. Beide series op papier met watermerk.

In de 45e editie van de Speciale Catalogus is van een aantal zegels van de Nederlandse Antillen op nog onverklaarde wijze de fosforescente substantie verdwenen:

  • 1982 Kind, Cultuur
  • 1983 Sport, Toerisme, Flora, Kind, Kon.Beatrix
  • 1984 ICAO, Sport, Cultuur, Kamer van Koophandel

Zou de redactiecommissie geleerd hebben de UV-lamp te hanteren? Of heeft de lamp de zegels zo lang bestraald dat de fosfor is uitgewerkt?


g: Gecoat niet-gecoat

Als kriterium niet gebruikt, althans niet apart wel in samenhang met het vorige kriterium. Immers de 5c van Krimpen en de Juliana en profil zonder fosfor zijn ongecoat, en die met fosfor zijn gecoat. Alle fosforescente zegels hebben trouwens een coating. De niet-fosforescente 1967 Europa en de Guldenswaarden Juliana Regina hadden al een coating. De term gecoucheerd wordt bij enkele series in de 50-er en 60-er jaren gebruikt, de opsomming is niet compleet en onjuist. Het zogenaamde Engels gecoucheerd papier is gebruikt tussen 1955 en 1966 zowel bij Nederland als bij de overzeese gebieden, zij het dat sinds 1961 naast dit papier en papier zonder coating er een andere papiersoort met coating gebruikt is.

Het Violino of Gelders Machine Coated papier dat egaal wit oplicht onder de UV-lamp, dat egaal wit oplicht onder de UV-lamp, zowel aan de beeldzijde [coating] als aan de gomzijde, wordt in het geheel niet genoemd. Alle Nederlandse bijzondere uitgiften sinds 1967 hebben een coating - al of niet fosforescent - .

Een uitgebreid overzicht van de Nederlandse zegels tussen 1953 en 1967 met met de verschillende soorten coating wordt in de nabije toekomst gegeven.

De Cour Internationale de Justice serie van 1951 heeft 3 waarden: de 2, 4, en 5c die bestaan op zowel papier zonder coating [1951 oplage 2 en 4c, 1953 5c] als op papier met coating [1974 oplage, Violino GMC]. Uiterst schoorvoetend is dan nu bij de 1951-58 emissie een voetnoot losgekomen dat er diverse oplagen zijn en wordt verwezen naar het Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1983 en 1984. Waarom geen nauwkeuriger verwijzing?

Inmiddels heeft de doorgaans niet zo speciale Yvert et Tellier catalogus een voorbeeldige opstelling van deze zegels in de nieuwe Europe-Ouest ingevoerd. Merci, mille fois Merci!

De aanvullingswaarden 40, 45 , 50c van 1977 bestaan uitsluitend op gecoat papier (Violino). [Zie Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1979 pagina's 469-471]


Voor de zegels van de Overzeese gebieden net als bij de Nederlandse een hap-snap vermelden van gecoucheerd papier:

Nederlands Nieuw Guinea

Wel aangegeven zijn: 1961 Sociale Zorg, 1962 Veilig Verkeer, Pago Pago. Niet angegeven zijn: 1960 Sociale Zorg, 1961 NNG-raad, 1962 Jubileum.

1962 Sociale Zorg is op Violino GMC en niet op Engels gecoucheerd papier. En het verschil is toch zo duidelijk: wit papier!

Nederlands Antillen

Wel aangegeven zijn: 1957 Toerisme, 1958 Disberg [zie opmerking verderop], 1961 Andrea Doria, 1964 Kind, Statuut, 1965 Beatrix, Olie, Eilanden [latere oplagen hebben Violino], Kind, Mariniers, 1966 Beatrix en Claus, de Ruyter. Niet aangegeven: 1955 Caraibische Commissie, 1959 Statuut, Luchtverbinding, 1962 Jubileum, Cultuur, Schaken, 1963 Geestelijke Volksgezondheid, Emancipatie, Hotel Bonaire, Kind, Chemie, 1964 Luchtvaart, Caraibische Raad, 1965 UIT, 1966 Kind.

Suriname

Wel aangegeven zijn: 1960 Vluchtelingen, Statuut, Olympiade, 1961 Jamborette, 1962 Jubileum, Rode Kruis, Anti Malaria, Hotels, Ziekenhuis, Dierenbescherming, 1963 Anti Honger, Emancipatie, 1964 Ruimtevaart, Jamborette, Statuut, 1965 Lincoln, Brokopondo, 1966 Ziekenhuis, Pasen. Niet aangegeven zijn: 1959 Juliana en profil [latere oplagen op Violino GMC], Statuut, 1960 Volksdienst, Zending, 1963 Kind, 1964 Kind, 1966 Redemptoristen, Staten.

Het zogenaamde Engels gecoucheerd papier wordt dus nog weleens aangegeven, het Violino of Gelders Machine Coated papier in het geheel niet.

Tot 1967 vinden we dit slechts bij Ned.Nieuw Guinea 1962 Sociale Zorg, en Ned.Antillen 1966 ICEM, Suriname 1966 ICEM, Bauxiet. Vanaf 1967 komen bij Ned.Antillen en Suriname, met een enkele uitzondering, uitsluitend gecoat papier voor.

Bij Suriname vinden we zegels waarvan nieuwe oplagen gecoat papier hebben, terwijl de oorspronkelijke oplagen zonder coating waren. Als voorbeeld de Vogelserie van 1966 waarvan oplagen uit 1975 van de 4, 5 en 8c gecoat papier [Violino] hebben.

Bij de Disberg serie van de Ned.Antillen is de term gecoucheerd niet goed gehanteerd.

In het Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1984 pagina's 278-282,381-383 heeft een uitstekend artikel gestaan over deze emissie van de hand van Frans Rummens, waarin de verschillende papiersoorten en wanneer ze gebruikt zijn vermeld staan.


h: Papierrichting

Nederland

Alleen als kriterium gebruikt bij het papier met watermerk. Zie o.a. Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1983 pagina 722.

Bij de 5c van Krimpen met horizontaal watermerk is het jaartal 1970 verwijderd, echter bij de 30c en profil met verticaal watermerk is 1973 blijven staan.

Als beide richtingen voorkomen worden subnummers gehanteerd:

Ned.Indië

  • 1938 Missie 7 1/2+2 1/2c naast
  • 1938 Kreisler 60c naast
  • 1947 45 op 60c Kreisler naast
  • 1947 80c Kreisler naast
  • bij de 1939 Sociaal Bureau wordt de richting niet eens vermeld.

i:Drukmethode

Als kriterium in het geheel niet gebruikt, ten onrechte aangezien bij de Lebeau-serie de 1, 1 1/2, 2, 2 1/2, 3 en 4c zowel gedrukt in offset als gedrukt in rasterdiepdruk bestaan. [Zie Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1982 pag... ] De 2 1/2c in rasterdiepdruk heeft wel een apart hoofdnummer, doch dat op grond van het kleurnuance-verschil!

Als wetenswaardigheid wordt het drukprocedé overal vermeld, toch niet steeds correct:

Nederland

  • 1956 Zomer moet zijn plaatdruk niet rasterdiepdruk
  • 1960 Zomer moet zijn rasterdiepdruk niet offset
  • 1969 Erasmus moet zijn ondergrond in rasterdiepdruk daarop plaatdruk
  • 1972 5c Rode Kruis moet zijn rasterdiepdruk niet offset
  • 1975 Braille en Sparen moet zijn rasterdiepdruk niet offset
  • 1982 Veilig Verkeer moet zijn rasterdiepdruk niet diepdruk


Bij de portzegels vinden we boekdruk met enkelvoudige of tweevoudige platen. Niet alleen bij de Nederlandse porten van 1912 doch ook bij de gelijkvormige series van Nederlandsch Indië , Curacao en Suriname.

Er worden wel sub-nummers uitgedeeld doch geen kenmerken genoemd.

Nederlandsch Indië

Bij de Nederlandsch Indische portzegels is het verschil tussen offset en boekdruk plus de verandering van drukker voldoende om de 1941 Indische druk apart te catalogiseren.

De drukmethode staat echter verkeerd vermeld bij:

Nederlands Antillen

  • 1956 Caraibische Commisie, dit moet offset zijn geen rasterdiepdruk.

Suriname

  • 1956 Caraibische Commisie, dit moet offset zijn geen rasterdiepdruk.

Nederlands Nieuw Guinea

  • 1959 Sterrengebergte, moet rasterdiepdruk zijn geen offset.
  • 1962 Veilig Verkeer, moet zijn tweekleuren rasterdiepdruk, geen boekdruk.


Wetenswaardigheden die min of meer standaard extra vermeld worden:

4
wat stelt het zegel voor?
5
ter gelegenheid van wat uitgegeven?
6
wie heeft de afbeelding ontworpen?
7
wie heeft de zegels gedrukt?
8
hoeveel gedrukt of verkocht?
9
hoe groot zijn de vellen?
10
zijn er plaatnummers?

4-Voorstelling

Behalve te zien aan de afbeelding en apart omschreven, met ingang van deze editie ook m.b.v. een personen- en zakenregister op te zoeken.

5-reden van uitgifte

Waarom verschijnen bij de langlopende uitgiften plotseling nieuwe waarden en kleuren? Is het niet handig om ook van de 20e eeuw de posttarieven in een tabel te vermelden en daarnaar te kunnen verwijzen? Zijn opruimingsuitgiften altijd wel als zodanig bedoeld? Bij de Nederlandsch Indië emissie 1902 vinden we de 15c met en zonder strepen. Waar dienden ze voor? Als jaar van uitgifte van de 15c met strepen: 1909. Hoe komen dan de "JAVA" en "Buiten Bezit" opdruk van 1908 aan een 15c met strepen?

Er worden bij deze zegels twee hoofdnummers toegekend, echter bij de Dienst zegels krijgt de 15c met strepen slechts een sub-nummer.

Bij dezelfde Dienst-serie van Nederlandsch Indië staat de 2 1/2c 1883 Cijfer als nr. 8 gerangschikt bij de 1911 serie vóór de 1/2c. Waarom niet apart en met afbeelding?


Is het niemand opgevallen dat bij de RIS opdrukzegels geen 15sen voorkomt? En waarom een formaat-wijziging bij de 15sen Vlag? Precies, de 15sen in klein formaat, als meest courante zegelwaarde, hoort tussen de cijfer en tempelzegels te staan. Ook de tanding past. Overigens worden bij deze Vlag-zegels helemaal geen perforaties vermeld.

De oorspronkelijke gelegeheidsuitgifte heeft kamtanding 12 1/2:12 15/18, de in klein formaat als langlopend zegel uitgegeven, de rol van de 15sen tempel overnemend, kamtanding 11 1/2 12/15.

Waarom zijn de UNTEA zegels niet gecatalogiseerd, en de RIS opdrukken wel?

6-Ontwerper

Ook hier voor het eerst een ontwerpers-register. Uitstekend om na te gaan of de René van Raalten van de 1981 45c PTT en de R. van Raalte van de 1983 ANWB niet misschien dezelfde persoon is. Waarom is Wim Crouwel nu eens W. Crouwel en dan weer prof. Wim Crouwel? Onder W.Crouwel vinden we niets eens de 1976 Crouwel cijferserie!

Bij de ontwerpers is Ben Bas veranderd in Ben Bos, echter bij de zegels zelf [1980 Verkeer] staat nog steeds Ben Bas. De ontwerper van de kinderzegels 1946 en 1960 is volgens het register A.J.W. Bieruma. Bij de zegels zelf nog A.J.K. Bieruma Oosting resp J. Bieruma Oosting.

In het register wordt duidelijk gestreefd om de ontwerpers te vermelden met hun voornamen. De ontwerper van de 1976 Zomer 55 en 75c heet in het register D.Patiwael bij de zegels al Donald.

Is het zo moeilijk het register met de rest van de Speciale Catalogus in overeenstemming te brengen?


Aan het personenregister is duidelijk gewerkt. Verschillende personen die nog over het hoofd gezien waren zijn er nu bij zoals: H. Kamerlingh Onnes [Zomer 1936] of Koningin Wilhelmina [1923 Jubileum].

Kennelijk nog niet geidentificeerd zijn de verzamelaars die afgebeeld staan op de 70c FILACENTO. Die kennis had uit Filatelie Informatief gehaald kunnen worden [nr. 8 pagina's 7540-14]

7-Drukker

Voor de Nederlandse zegels is de drukker op enkele uitzonderingen na [1852 en deels 1864 de Munt; 1944 "Bevrijding" Bradbury, Wilkinson, New Malden] steeds Joh. Enschedé en Zonen.

De zegels van de overzeese gebiedsdelen werden in eerste instantie gedrukt bij de Munt te Utrecht [Ned.Indie emissie 1864, 1868] vanaf 1870 bij Joh. Enschedé en Zonen, Haarlem.

Vóór de tweede wereldoorlog een enkele emissie van Suriname bij een locale drukker [1892, 1909, 1912]: H.B.Heyde.

Tijdens de tweede wereldoorlog en vlak daarna vinden we de volgende drukkerijen:

  • 1940 Topografische Dienst, Weltevreden: Nederlandsch Indië 5c Cijfer
  • 1941-49 G.Kolff, Batavia: diverse Nederlandsch Indië
  • 1941-42 G.Kolff, Batavia: diverse Curacao en Suriname
  • 1941-44 American BankNote Company: Curacao luchtpost Pr.Bernhard-fonds, Rode Kruis
  • 1945 American BankNote Company: Suriname porten
  • 1945-46 American BankNote Company: Nederlandsch Indië landschap 1-7 1/2c, Kon. Wilhemina
  • 1942-45 Bradbury Wilkinson, New Malden: diverse Curacao
  • 1946 Note Printing Branch, Melbourne: Nederlandsch Indië 1-7 1/2c Landschap, Porten

Na de tweede wereldoorlog wordt voor Nederlandsch Indië nog slechts één emissie [1948 Jubileum] gedrukt in Nederland.

De zegels van Curacao later Ned.Antillen, Ned.Nieuw Guinea en Suriname worden weer door Joh. Enschedé en Zonen gedrukt.

Bij Suriname wordt kortstondig uitgeweken naar E.A.Wright [1961-62] en Bradbury Wilkinson [1973-74].


Van de volgende emissies bestaat meer dan een versie:

Suriname

  • van Konijnenburg: 1941 G. Kolff, Batavia 15c in rasterdiepdruk, kamtanding 12 1/2 13/16; 1946 Joh. Enschedé en Zonen, Haarlem 12 1/2c in rasterdiepdruk, kamtanding 13 1/2:12 3/4 14/16.
  • luchtpost "Mercurius": 1930 Joh. Enschedé en Zonen, Haarlem in plaatdruk, lijntanding 12 1/2; 1941 G. Kolff, Batavia, in offset, lijntanding 13 1/4 ; 1941 Bradbury Wilkinson and Co, New Malden, in plaatdruk, lijntanding 12

De in het Nederlandsch Maandblad voor Philatelie [1985 pagina's 272-274] voor het eerst gepubliceerde luchtpostzegels nrs. 60-61, gedrukt bij deze laatstgenoemde drukkerij en in alle aspecten van de bij Joh.Enschede' en Zonen gedrukte zegels afwijkend, zijn nog zorgvuldig buiten de Speciale Catalogus gehouden.

Curacao

  • Cijfertype: 1936 Joh.Enschedé en Zonen, Haarlem in offset, kamtanding 13 1/2:12 3/4 14/16; 1941 G.Kolff, Batavia in offset, kamtanding 12 1/2 13/16.
  • van Konijnenburg: 1941 G.Kolff, Batavia in rasterdiepdruk, kamtanding 12 1/2 13/16, lijntanding 12 1/2, en 13 1/4; 1947 Joh.Enschede' en Zonen, Haarlem in rasterdiepdruk, kamtanding 13 1/2:12 3/4 14/16.
  • Porten: 1915 Joh.Enschede' en Zonen, Haarlem in boekdruk, kamtanding 12 1/2 13/16; 1945 Bradbury Wilkinson and Co, New Malden in boekdruk, kamtanding 11 1/2 12/15.

Suriname

  • Scheepje: 1936 Joh.Enschedé en Zonen, Haarlem in offset, kamtanding 13 1/2:12 3/4 14/16; 1941 G.Kolff, Batavia in offset, kamtanding 12 1/2 13/16; 1941 Bradbury Wilkinson and Co, New Malden in boekdruk, lijntanding 12.


8-Oplage/Verkocht

Van de bijzondere uitgiften zonder toeslag worden i.h.a de oplagen (=aantal gaaf door de drukker afgeleverd, sinds 1972 meestal =aantal besteld) vermeld, van die met toeslag de verkochte aantallen. Bij de langlopende series of oplage of verkocht of allebei.

Het is mogelijk om van de PTT van alle reeds lang buiten omloop zijnde zegels behalve de oplage(=aantal gaaf door de drukker afgeleverd) ook de aantal door de PTT verkocht (=aantal verstrekt aan de kantoren - aantal retour gestuurd) te krijgen.

9-Velgrootte

De velgrootte wordt voor de Nederlandse zegels tot 1923 opgegeven daarna slechts incidenteel: 1923 Jubileum, 1943 Symbolen en Zeehelden, 1952 ITEP, 1974 Milieu, 1976 Amphilex 55c.

De aanname dat we bij de andere zegels misschien gewoon te maken hebben met een velgrootte van 10x10=100 is fout! Ik kom er t.z.t. op terug.

Zonder meer fout is de velgrootte bij de portzegels van 1947. Dit moet zijn: 10x10.

Bij Nederlandsch Indië wordt slechts bij emissie 1870 iets over de velgroote gezegd, en ook bij de Porten 1882.

Bij Ned.Nieuw Guinea geen spoor.

Bij Curacao wordt van de 1918 HAW-zegel, 5c op 12 1/2, de 1931 opdrukken, luchtpost 1929 en porten 1889 iets over de velgrootte aangegeven.

Bij de zegels van Ned.Antillen wordt van 1977 Toerisme, 1978 Bank, Sport, Rode Kruis en 1984 Eleanor Roosevelt melding gemaakt van de layout van tˆte-bˆche veldelen.

Tˆte-bˆche paren [al dan niet met een brug] worden wel van Nederland gecatalogiseerd [5, 7 1/2c Bontkraag] echter niet van deze Nederlands Antillen zegels. Waarom niet?

Het bestaan van brugparen wordt wel bij de eerste emisse van Nederland 1852 aangegeven, echter niet van van Nederlandsch Indië. Zie hierover Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1984 pagina's 23-24.

Bestaan er misschien van de Nederlands Antillen nog brugparen die niet tˆte-bˆche zijn?

Bij Suriname wordt van de 1892 2 1/2c, 1898 opdrukken, 1909 5c, 1923 Jubileum, 1961 Ruimtevaart, 1962 Hammerskjöld, Porten 1886 wel de velgrootte vermeld.


10-Plaatnummers

De identificatie-nummers van de drukvormen voor plaatdruk: zgn. plaatnummers worden in tegenstelling tot die voor boekdruk, offset of rasterdiepdruk opgenomen. Althans voor de zegels tot en met de hoge waarden Veth [1926]. De plaatnummers van de nadien gedrukte zegels in plaatdruk blijven onvermeld? Waarom?

Zie ook Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1985 pagina's 185-186,703.

De mate van specialisatie bij de zegels van Nederland en Overzee is met deze analyse van de Speciale Catalogus aan de oppervlakte gekomen. Verder worden door de redactie-commissie zeker hier en daar schoonheidsfoutjes weggepoetst doch er blijven teveel zeer hardnekkige onjuistheden weg te werken en ongerijmdheden op te heffen.

Wat voor de één uiterst oppervlakkig is, gaat voor de ander veel te ver. En lang niet iedereen zal in de gaten gehad hebben wat er fout of inconsequent was, of daar van wakker liggen.

Echter ik kan me niet aan de indruk onttrekken, en de vele reacties op m'n oproep [Nederlandsch Maandblad voor Philatelie 1985 pagina 622] om als verzamelaars zelf een catalogus [inclusief prijzen] te gaan samenstellen, steunen me in die opvatting, dat de Speciale Catalogus een graad van specialisatie resp. betrouwbaarheid heeft gekregen die in filatelistisch Nederland niet meer acceptabel is.


Copyright © Rein Bakhuizen van den Brink
Last updated on 1 juni 2002

Home NVPH Speciale Catalogus 1984 NVPH Speciale Catalogus 1988